Opzienbarende uitspraak Hof inzake overtreding

04
okt
2017

Op 21 juli jl. deed het Gerechtshof Den Haag uitspraak in hoger beroep in een strafzaak van een voetbalspeler die zich tijdens een voetbalwedstrijd schuldig gemaakt zou hebben aan de mishandeling zwaar lichamelijk letsel tot gevolg van een tegenspeler. In deze Voetbalfocus een nadere analyse.

 

Bijzondere zaak

 

Dat dit een bijzondere zaak is, staat vast. Het komt niet vaak voor dat een voetballer strafrechtelijk wordt veroordeeld voor het, tijdens een wedstrijd, verwonden van een tegenspeler. Van de amateurvelden zijn er nauwelijks vergelijkbare gevallen te vinden die eveneens leidden tot strafrechtelijke vervolging. Een voorbeeld afkomstig van de Nederlandse profvelden is te vinden in 2004, toen leverde een charge van de speler Rachid Bouaouzan een dubbele beenbreuk op voor Niels Kokmeijer. Bouaouzan kreeg, als een gevolg daarvan een rode kaart (met langdurige schorsing) en via de rechter zes maanden voorwaardelijke celstraf.

 

Weergave van de feiten

 

In de onderhavige zaak ging het echter om een amateurwedstrijd. Deze vond plaats op zondag 30 november 2014 in Schoonhoven tussen de teams Schoonhoven 1 (zo) en CVV Zwervers 7. Op enig moment in de tweede helft sprintten twee spelers beiden achter de bal aan. Tijdens deze sprint bevond een speler zich (schuin) achter zijn tegenspeler. De speler maakte vervolgens, terwijl hij vlak bij zijn tegenspeler rende, een beweging met zijn rechterbeen/rechtervoet in de richting van de benen van de tegenspeler. Daarbij heeft hij het onderbeen van zijn tegenspeler geraakt en kwam deze ten val.

 

Vastgesteld is dat de actie van de speler verband hield met de spelsituatie. Verschillende getuigen hebben verklaringen afgelegd waaruit opgemaakt kan worden dat de bal op het moment van de actie in de buurt van het slachtoffer was. Echter, niet is vast te stellen waar de bal zich op dat moment precies bevond en ook niet op welke plek de speler het been van het slachtoffer precies heeft geraakt. De vele getuigenverklaringen verschillen op deze punten van elkaar. Het slachtoffer is als gevolg van deze actie van de speler ten val gekomen waarbij hij een dubbele beenbreuk links (gebroken kuitbeen en een gebroken scheenbeen) en een scheurtje in zijn enkelgewricht is opgelopen.

 

Uitspraak Hof

 

Het hof gaat ervan uit, dat – zoals de speler ook heeft verklaard – het zijn bedoeling was balbezit te krijgen door middel van deze sliding tackle. Het hof is van mening dat de speler, met het inzetten van deze slidingtackle, zich willens en wetens blootgesteld heeft aan de aanmerkelijke kans dat hij zijn tegenspeler zou verwonden. Deze aanmerkelijke kans op letsel heeft hij bewust aanvaard. Het hof maakt hieruit op dat de speler voorwaardelijk opzet had de ander te mishandelen. Als gevolg van zijn actie heeft de ander zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

 

Het hof merkt nog wel op dat de omstandigheid dat de gedraging van de verdachte is verricht in een sportsituatie, namelijk tijdens een voetbalwedstrijd, van belang zou kunnen zijn voor de vraag of het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als mishandeling. De deelnemers aan een sport als voetbal hebben tot op zekere hoogte over en weer gevaarlijke gedragingen van elkaar te verwachten. Deze zijn inherent aan de voetbalsport.

 

Om die reden gelden er ook duidelijke spelregels, welke mede van belang zijn voor het bepalen van de grenzen van de wederrechtelijkheid. Deze grenzen zullen eerder worden overschreden bij gedragingen waarbij een speler een andere speler letsel toebrengt die los staan van een sportsituatie. Tevens kan van wederrechtelijkheid sprake zijn indien de gedraging wel plaatsvindt in een spelsituatie maar waarbij sprake is van een dusdanige schending van de spelregels dat die bijzonder gevaarlijk is.

 

Het hof stelt in deze casus vast dat tijdens het handelen van de verdachte (het inzetten van de sliding tackle) wel sprake was van een sportsituatie (de bal was in de buurt, spelers waren betrokken bij het spel), maar dat dit niet binnen de grenzen is gebleven van hetgeen spelers van elkaar hebben te verwachten. De speler speelde zeer gevaarlijk spel, hetgeen bovendien een ernstige overtreding van de spelregels van het voetbal opleverde.

 

De rechter verwerpt daarmee het verweer van de speler en stelt dat deelnemers aan een sport inderdaad tot op zekere hoogte gedragingen van elkaar (over en weer) te verwachten hebben. Hoewel bepaalde overtredingen inherent zijn aan een voetbalwedstrijd en het begaan daarvan voor de deelnemers aan een dergelijke sportsituatie redelijk voorzienbaar is dient de grens getrokken te worden bij grove, roekeloze overtredingen. Deze behoren niet tot het door spelers te aanvaarden risico.

 

Conclusie

 

Met betrekking tot de redenatie van het hof kan worden opgemerkt dat deze niet of nauwelijks verschilt van die, die de Hoge Raad (het hoogste rechtscollege) hanteerde in de zaak van Bouaouzan/Kokmeijer. Interessant is wel dat in deze zaak is gekozen voor een strafrechtelijke vervolging. Dat zou te maken kunnen hebben met de ernst van het letsel dat de speler heeft opgelopen, alsmede het feit dat er meerdere getuigen waren.

 

Of iedere (amateur) voetbalspeler die letsel toebrengt door een slidingtackle in de toekomst zal worden vervolgd, lijkt onwaarschijnlijk. Dat hangt immers af van meer factoren, behalve de ernst van de overtreding en het veroorzaakte letsel bijvoorbeeld ook van de vraag of er beelden van de overtreding/mishandeling zijn en/of de beschikbaarheid van getuigen. Bovendien kan gesteld worden dat er ook onderscheid moet worden gemaakt tussen amateur of professioneel voetbal. Opmerkelijk is de zaak in ieder geval zeker.


mr. S.F. (Serge) Rossmeisl

Dit artikel is geschreven door:

>>

Functie:

Directeur-Bestuurder

T:

+31(0)343 438 431

M:

+31(0)6 41 50 64 47
www.fbo.nl
Twitter

Volg mij via twitter!